Toelichting
In de Richtlijn 3.03 'Verantwoordelijkheid voor en handelwijze bij het ontdekken van onjuistheden in de verantwoording' is vastgelegd welke omstandigheden leiden tot het beëindigen van een opdracht. De onderhavige verordening regelt de melding door een openbaar accountant van het beëindigen van de opdracht aan een centraal meldpunt, indien het beëindigen van de opdracht het gevolg is van een redelijk vermoeden van een fraude van materieel belang bij een wettelijk verplichte controle van een financiële verantwoording.
Toelichting per artikel
Artikel 1
In dit artikel worden definities gegeven van enkele van belang zijnde begrippen.
Artikel 2
In dit artikel wordt de situatie beschreven die voor de openbaar accountant aanleiding is om de opdracht te beëindigen, aangezien het aanblijven als accountant dan schadelijk is voor de eer van de stand der registeraccountants. Het betreft zowel wettelijk verplichte controles als andere controle-opdrachten.
Artikel 3
Dit artikel regelt de melding aan het centraal meldpunt bij teruggave van de opdracht tot wettelijk verplichte controle van een financiële verantwoording door de openbaar accountant wegens de reden als bedoeld in het derde lid van artikel 2 en eveneens bij opzegging door de opdrachtgever waarbij sprake was van omstandigheden die anders tot teruggave van de opdracht door de openbaar accountant om de hiervoor vermelde reden zouden hebben geleid.
Krachtens het derde lid wordt aangegeven op welk terrein de vermoede fraude zich voordoet.
Artikel 4
In dit artikel is de verplichting geregeld tot het verstrekken van informatie aan de eventuele opvolger over de beëindiging van de opdracht wegens het uitblijven van toereikende maatregelen en, indien geschied, de melding daarvan. Artikel 31, eerste lid, tweede volzin, GBR-1994 kan in deze situaties niet van toepassing zijn. Krachtens het derde lid mag een ander openbaar accountant de opdracht slechts aanvaarden, indien de situatie die tot beëindiging van de opdracht aan zijn voorganger heeft geleid, naar zijn oordeel in voldoende mate is hersteld.
Artikel 5
Dit artikel regelt de melding aan het centraal meldpunt door de openbaar accountant van het aanvaarden van een opdracht, welke eerder door zijn voorganger ingevolge artikel 3 als beëindigd is aangemeld.
Artikel 6
Dit artikel voorziet in de opheffing van de geheimhoudingsplicht met betrekking tot de noodzakelijke informatieverstrekking aan het centraal meldpunt.
Artikel 7
Sinds de wijziging van de Wet op de Registeraccountants van 6 augustus 1993 wordt voor een kleine categorie registeraccountants onderscheid gemaakt tussen inschrijving in het register en lidmaatschap van het NIVRA. Het betreft in het buitenland gevestigde accountants die via het afleggen van een proeve van vakbekwaamheid als registeraccountant worden ingeschreven. Zij kunnen NIVRA-lid worden maar dat is niet vereist. In het laatste geval zijn zij niet onderworpen aan verordeningen van het NIVRA want deze gelden alleen voor leden. Een uitzondering hierop vormen de GBR, vastgesteld op grond van artikel 19, lid 2, WRA, welke volgens artikel 19a WRA dezelfde inhoud dienen te hebben als de gedrags- en beroepsregels voor AA's. Deze GBR gelden krachtens de wet voor alle ingeschrevenen. Om te voorkomen dat de Verordening op de fraudemelding voor deze buitenlandse accountants eventueel niet zou gelden, is bepaald dat de verordening deel uitmaakt van de gedrags- en beroepsregels voor registeraccountants als bedoeld in artikel 19, lid 2, van de Wet op de Registeraccountants.
Bij de ontwerp-verordening tot wijziging van de gedrags- en beroepsregels registeraccountants werd door het bestuur onderstaande toelichting gegeven. De toelichting bij de eerste Nota van Wijzigingen is hierin verwerkt.
TOELICHTING
Ingevolge de Verordening op de fraudemelding is een openbaar accountant verplicht het opzeggen van een opdracht tot wettelijke controle van een financiële verantwoording te melden aan de Centrale Recherche Informatiedienst, indien de opdracht is beëindigd omdat de openbaar accountant een fraude van materieel belang vermoedt en de leiding van de huishouding, respectievelijk het toezichthoudend orgaan de gevolgen daarvan niet voor zover mogelijk ongedaan wil maken en geen maatregelen wil nemen om herhaling te voorkomen. In verband met deze verplichte melding wordt in het eerste lid van artikel 10 GBR-1994 de geheimhoudingsplicht opgeheven uitsluitend voor zover de wet of een op de wet gebaseerd voorschrift, zoals de Verordening op de fraudemelding, tot bekendmaking noopt. Aangezien de geheimhoudingsplicht niet alleen in het eerste lid van artikel 10 GBR is geregeld maar ook in het tweede lid, wordt dezelfde ontheffing ook in het tweede lid opgenomen.
Het (nieuwe) vierde lid van artikel 10 bewerkstelligt dat de geheimhoudingsplicht geen belemmering vormt voor de openbaar accountant die het noodzakelijk acht de beëindiging van een opdracht wegens een niet herstelde vermoede fraude aan het centraal meldpunt te melden, ook al legt de Verordening op de fraudemelding daartoe niet de plicht op.